Controllersjournaal 2014 nr. 5

Drs. M.L. Hoeksema.

Toekomstbestendigheid?
Meebeweeglijkheid, duurzaamheid, leefbaarheid.


Zorgen over de toekomst zijn van alle tijden. Wellicht is een belangrijke oorzaak dat wij de toekomst niet kunnen kennen. En wellicht is dit in de moderne tijd een groter probleem geworden door de secularisatie en ons verlichtingsgeloof en -ideaal. Dat onze wereld in al haar  aspecten redelijk te kennen zou zijn en dat wij er door de steeds verdergaande ontwikkeling van onze wetenschappelijke en technologische kennis tenslotte in zullen slagen blijvende vrede en welstand voor allen te bewerkstelligen. Maar wat dan te doen met een niet kenbare toekomst?
Natuurlijk worden er pogingen gedaan dit probleem te lijf te gaan met verlichtingsgereedschap. Trends te zien en door te trekken en ontwikkelingen trachten  in te schatten. Prognoses. Denktanks en taskforces. Futurologie. Technology Assessment. In onze gecompliceerde samenleving kan de noodzaak hiervan moeilijk worden  ontkend. Het helpt ook wel en des te beter naar mate het doel dat wij ons stellen nauwkeuriger is begrensd en wij meer zijn ingesteld op het onverwachte, bijvoorbeeld door middel van what if-analyses.
Zo gaan wij bijvoorbeeld te werk bij investeringsbeslissingen met een lange termijnkarakter, zoals in de energiesector. Wij behelpen ons zo goed als het gaat, maar het onverwachte blijft een belangrijke rol spelen.

Dan is er de min of meer algemene toekomstangst als cultuurverschijnsel. Deze heeft, naast mondiale politieke en militaire ontwikkelingen, zijn wortels in wat heet de technische vooruitgang. Gedurende nu al tientallen jaren beginnen beleidsdocumenten van overheden en instellingen steevast met verwijzingen naar onze tijd van razendsnelle technologische en maatschappelijke veranderingen.
En als wij soms eens in de tijd achterom kijken en ons te binnen trachten te brengen hoe wij zeg twintig of dertig jaar geleden dachten dat de ontwikkelingen zouden verlopen, dan blijkt daar wel iets van te zijn uitgekomen, maar blijken er ook dingen geheel anders te zijn gegaan. Blijken andere factoren dan wij destijds meenden doorslaggevend te zijn geweest.
Rondom 1980 meenden wij bijvoorbeeld aan het einde van de derde industriële revolutie te zijn gekomen. Zie hierover onder andere de innovatieliteratuur van toen. (Ja inderdaad, Innovatie is al meer dan 30 jaar actueel en de items in het maatschappelijk en politiek debat over dit onderwerp zijn al  die tijd bijna niet veranderd).
Ook de Miljoenennota's uit die jaren bevatten de nodige aanwijzingen. Na de eerste oliecrisis van 1973 was de Nederlandse economie in een hardnekkige recessie beland, waarin oplopende werkloosheid gepaard ging met blijvend hoge inflatie. Volgens de toen gangbare concepten van economische politiek kon dat niet. Maar het gebeurde, dus het kon. Het duurde tot ver in de jaren tachtig voordat antwoorden waren gevonden. Deze lagen in versterking van de aanbodzijde van onze economie (concurrentievermogen) en de werking van het Poldermodel (akkoord van Wassenaar, 1982). Tegelijkertijd kwam de micro elektronica er aan (zie bijvoorbeeld het rapport van de Adviesgroep Micro Elektronica, de z.g. Commissie Rathenau, 1980). Mede op basis van genoemde studie voorzag de regering allerlei maatschappelijke gevolgen. Behalve de komst en doorbraak van internet, wat achteraf gezien opmerkelijk is, omdat dit technisch gesproken toen eigenlijk al bestond. Achteraf blijkt het grote verschil tussen verwachtingen en uitkomst vooral hierin te zitten, dat de chipstechnologie het gebruik van computers zo ontzaglijk veel goedkoper heeft gemaakt. Daarmee kwamen alle bestaande en nieuwe technologische mogelijkheden ter beschikking van allen, waardoor de technologie op haar beurt weer sterke impulsen ontving. Een interactief technology push - demand pull mengsel van economie en technologie, dat zich nog steeds in adembenemend tempo voortbeweegt de toekomst in. Met de sociale media als meest actuele verschijningsvorm.
Als je in dit verband de term toekomstbestendigheid laat vallen, dan bedoel je zoiets als meebeweeglijkheid. Je treft het zo ongeveer met een combinatie van termen als: technologische geavanceerdheid, concurrentievermogen, veranderingsgezindheid, levensvatbaarheid, maatschappelijke relevantie, eigentijdsheid, bij de tijd zijn.

Daarnaast zijn er de met de wereldwijde bevolkingsgroei en economisch technologische ontwikkelingen samenhangende problemen op de gebieden van milieu, natuur en klimaat. Door de technologische ontwikkelingen is hier veel  bereikt  en nog veel meer mogelijk op gebieden als luchtbehandeling, zuivering van oppervlaktewater en bodemsanering. Maar intussen blijven de toekomstperspectieven voor wat betreft grondstoffen- en energievoorziening, ontbossing en CO2/uitstoot en opwarming van de atmosfeer uiterst somber.
Als wij in het verband van dit complex aan vraagstukken de term toekomstbestendigheid gebruiken, bedoelen wij duurzaamheid. In de zin van levensduur van producten en efficiency voor wat betreft gebruik van schaarse grondstoffen en energie. Alsmede zo laag mogelijke graad van  milieubelasting gedurende de gehele cyclus van productie via gebruik tot en met afbraak. Verder recirculeerbaarheid van materialen en hergebruiksmogelijkheden van afbraakproducten.
Toekomstbestendigheid is dus een ruimer begrip dan duurzaamheid. Het sluit duurzaamheid in.
Duurzaamheid is een kenmerk van economische goederen, van producten, diensten en processen. En daarmee ook van bedrijven.

En dan is er het persoonlijke en sociale. In dit verband betekent toekomstbestendigheid in significante mate bijdragend aan de leefbaarheid van wereld en samenleving nu en in later tijd, voor huidige en toekomstige generaties. Rekening houdend met de demografische ontwikkelingen, die bekend zijn. Zo ongeveer te typeren in wellicht aanvankelijk wat soft klinkende termen als: rust, kleinschaligheid, diversiteit, veiligheid, innerlijke noodzaak. Dienstbaarheid aan de medemens, vooral aan kinderen.

Toekomstbestendigheid wordt dus zo ongeveer gedefinieerd met de termen meebeweeglijkheid, duurzaamheid en leefbaarheid.
Toekomstbestendigheid is een manier van bezig zijn. Een beetje te vergelijken met kwaliteit, waar het organisaties betreft. Met deze analogie in het achterhoofd kun je zeggen: Als een organisatie niet alleen duurzaam is, maar toekomstbestendig, dan zijn de daar geproduceerde producten dat ook, dan zijn deze dus duurzaam in de ruimste zin van het woord.

Toekomstbestendigheid gaat verder dan kwaliteit, hoewel je in dit verband in ruime zin zeker ook van kwaliteit kunt spreken. Kwaliteit van leven dan.
Toekomstbestendigheid veronderstelt creativiteit en verbeeldingskracht.
Hoe sta je bijvoorbeeld tegenover consumentisme, het geloof van deze tijd dat de economie op consumptie draait en dat economie psychologie is? Een positief ingesteld persoon consumeert, dat is goed voor de economie en dat is op zijn beurt weer goed voor de maatschappij en dus voor ons allen, hoor je regelmatig in de media.
Maar de consument is afhankelijk. Vanzelfsprekend van de beschikbaarheid van eerste levensbehoeften. Maar ook en steeds meer van luxe goederen. En het meest van die, die bepalend zijn voor zijn/haar erbij horen binnen de referentiegroep en de status binnen deze groep. Niet zelden is dit type consumptiegoed sterk trend- of modegevoelig, zoals het nieuwste type iphone. Voor het exposure dat aan het bezit hiervan is verbonden, blijken personen heel veel over te hebben. Reclamemakers weten hierop in te spelen. Spreken van consumptieverslaving lijkt in bepaalde gevallen niet overdreven.
Toekomstbestendigheid is allereerst een attitude; een manier van leven en bezig zijn. Die niet alleen naar de onmiddellijke behoeftenbevrediging kijkt, maar meebewegend met de technologische mogelijkheden en maatschappelijke ontwikkelingen rekening houdt met de houdbaarheid van wat wij doen en het beheer van de aarde waarop wij leven. Niet alleen in het algemeen, als abstracte verantwoordelijkheid van ons allen. Maar ook en wellicht in de eerste plaats concreet met betrekking tot het eigen leven, van begin tot eind. Wat is daarin geïnvesteerd en wat blijf je daarin investeren. Wat betekent meebeweeglijkheid, duurzaamheid en leefbaarheid in dit verband concreet voor jou? Is en blijft er sprake van ontwikkeling? Wat zijn je eigen talenten en mogelijkheden en hoe ontdek en ontplooi je deze?

Aristoteles leerde dat een deugd, dat is een goede karaktereigenschap, altijd het redelijke midden houdt tussen twee ondeugden, tussen twee slechte karaktereigenschappen. Denk bijvoorbeeld aan de deugd dapperheid; deze houdt het redelijke midden tussen lafheid en roekeloosheid. Of aan de deugd het voeren van goed financieel beheer; deze houdt het midden tussen spilzucht en gierigheid. Andere klassieke deugden zijn moed, eerlijkheid, trouw.
Een deugd is nooit extreem, maar altijd redelijk.
Toegepast op onze zoektocht naar een attitude van toekomstbestendigheid, temidden van onze utilitaristische analyses en afwegingen, betekent dit een pleidooi voor georganiseerde systematische reflectie. Op de argumenten voor antwoorden op vragen wat in concrete situaties het redelijke midden is. Zoals bijvoorbeeld:
Tussen permanente vernieuwing en vasthouden aan het bestaande;
Tussen flexibiliteit en continuïteit resp. zekerheid;
Tussen het materiële en het immateriële;
Tussen het individuele en het gemeenschappelijke;
Tussen het onmiddellijke en het duurzame.
Niet in de eerste plaats een pleidooi om meer kennis te vergaren. Wel om aanwezige kennis bewust te gebruiken en gebleken leemtes op te vullen.
Om het vanzelfsprekende, het sociaal-cultureel of ideologisch bepaalde, in te wisselen voor het bewuste en redelijke.
Archief Artikel Actueel